Historisch moment: Obama en Castro schudden elkaar de hand

Deze week in de VS en Cuba:

– Barack Obama en Raúl Castro schudden elkaar de hand.

– Volgens Obama hebben de sancties van de afgelopen decennia niet gewerkt. 

– Hij wil daarom een einde aan de symboolpolitiek. 

– Obama wil dat Cuba van lijst met landen die terrorisme steunen gehaald wordt.

– Obama wil dat Cuba Amerikaanse voortvluchtigen gaat uitleveren. 


De Amerikaanse en Cubaanse president hebben elkaar de hand geschud tijdens een top in Panama. Vorige week spraken ook de ministers van Buitelandse Zaken van beide landen voor het eerst met elkaar. 

Door Madelon van Honk

Het zijn historische momenten, omdat het de eerste keer in ruim vijftig jaar tijd is dat de landen samen zoeken naar een manier om de relatie tussen de Verenigde Staten en Cuba te verbeteren. De laatste keer dat de leiders van de VS en Cuba elkaar spraken was in 1958. Toen schudden president Eisenhower en de Cubaanse leider Fulgencio Batista elkaar de hand.

Beide landen willen de relatie tussen de Verenigde Staten en Cuba normaliseren. Cuba stond sinds 1982 op de Amerikaanse lijst met landen die terrorisme steunen, maar president Barack Obama wil Cuba nu van die lijst af halen. Dit plan kan de komende tijd nog afgeschoten worden door het parlement, maar de kans is klein dat dat gebeurt. Zeker omdat Obama ondertussen praat over het uitleveren van Amerikaanse voortvluchtigen door Cuba.

Obama zoekt deze toenadering omdat de maatregelen tegen het communistische Cuba volgens hem niet gewerkt hebben. Bovendien ondervinden de Verenigde Staten op economisch vlak zelf ook hinder van de slechte relatie tussen beide landen.

Embargo van de VS tegen Cuba

Het liep verkeerd tussen de VS en Cuba vanaf het moment dat rebellen onder leiding van Fidel Castro de regering van toenmalige leider Fulgencio Batista omver wilden werpen. In 1958 stelde de Verenigde Staten daarom een wapenembargo in.

Toen Cuba in 1959 onder leiding van Fidel Castro communistisch werd en goede banden onderhield met de Sovjet-Unie, het land waarmee de VS een koude oorlog voerde, ging het helemaal mis. Op 8 februari 1962 stelde president John. F. Kennedy daarom een financieel embargo in.

Cubaanse producten werden niet meer geïmporteerd en het werd Amerikaanse bedrijven verboden om handel te drijven met Cuba. Na de Cubacrisis, waarbij een atoomoorlog dreigde tussen de Sovjet-Unie en Amerika, werd dit embargo uitgebreid. Cubaanse tegoeden werden bevroren en er kwam een reisverbod. Dat wil zeggen: Amerikanen mochten nog wel naar Cuba, maar ze mochten er geen enkele financiële transactie doen.

Met de Helms-Burton Act uit 1996 werd het mogelijk om Amerikaanse bedrijven die zaken deden met Cubaanse bedrijven te vervolgen. Buitenlandse bedrijven konden sancties opgelegd krijgen door Amerika.

Afzwakken van het Embargo

Onder president Bill Clinton werd de wet afgezwakt. In het geval van humanitaire middelen mochten Amerikaanse bedrijven wel exporteren naar Cuba. Cuba weigerde deze hulp tot het land in 2001 getroffen werd door een orkaan. Inmiddels zijn de VS een van de belangrijkste handelspartners van Cuba.

Obama zwakte het embargo nog meer af. Cubaans-Amerikaanse gezinnen mogen inmiddels naar Cuba reizen en het is makkelijker geworden voor Amerikaanse bedrijven om zaken te doen met Cubaanse bedrijven.

Het embargo bestaat echter nog steeds, vooral omdat het erg lastig is om het op te heffen. De Senaat en het Huis van Afgevaardigden moeten hier ook toestemming voor geven.